De geschiedenis

Geschiedenis van de belegering van Grolle (1627)
Tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) werd de strijd van de opstandige staten der Nederlanden tegen Spanje geleid door achtereenvolgens Willem van Oranje en zijn zonen Maurits en Frederik Hendrik.
In die tijd gold dat de partij die de steden beheerste, ook het omringende land beheerste. Elke stad die de poorten voor een aanvallend leger sloot moest een belegering ondergaan om op andere gedachten gebracht te worden. Grolle (het tegenwoordige Groenlo) in de Gelderse Achterhoek is verschillende keren door beide zijden belegerd.

Eerdere belegeringen

1595
Zo kwam op 14 juli 1595 prins Maurits voor de stad, die “al taemelijck starck was, voorsien met eerdewallen ende 4 taemelijcke bolwercken”. Maar Maurits was genoodzaakt zijn belegering op 24 juli af te breken omdat de bekwame veldheer Mondragon met een groot Spaanse ontzettingsleger richting Grolle trok. De prins durfde de confrontatie in open veld met de Spaanse troepen niet aan.

1597
Op 1 september 1597 keert Maurits terug voor de vesting. Na een felle strijd is de Spaanse bezetting op 26 september genoodzaakt zich aan de prins over te geven. Daarmee komt Grolle in Staatse handen.

historieprent

Detail van een historieprent waarop de belegering van 1606 wordt weergegeven

1606
Op 4 augustus 1606 komt een grote Spaanse legermacht onder leiding van Spinola voor de stad. Tien dagen later moet de Staatse bezetting al capituleren. Tot de belegering van 1627 blijft Grolle in Spaanse handen.

De belegering van 1627
In Den Haag vergaderden de Staten-Generaal over de wijze van voortzetting van de oorlog tegen de Spanjaarden. Na veel wikken en wegen (de machtigste gewesten, Holland en Zeeland, wilden de oorlog op zee verder voeren) werd toch besloten “die starcke stad Grol aan te tasten”.

Frederik_Hendrik

Prins Frederik Hendrik (1584 – 1647)

De voorbereidingen vonden in het grootste geheim plaats. Het Staatse leger, bestaande uit 20.000 man voetvolk en 5.000 ruiters, werd via de Lek en de Rijn naar het oosten verscheept. De Spanjaarden wisten inmiddels dat er een groot Staats leger op weg was, maar het was onduidelijk welke stad het doelwit van de aanval zou worden. Om de vijand op een dwaalspoor te brengen werd een schijnaanval uitgevoerd op het Duitse stadje Goch. Inmiddels ging de hoofdmacht op 17 juli 1627 in Emmerich van boord en vertrok direct richting Grolle. Op de avond van 20 juli kwam het Staatse leger voor de stad.
De voorhoede, onder leiding van Herman Otto, graaf van Styrum, bezette meteen de belangrijkste toegangswegen naar de vesting. Een aantal bevelhebbers werd naar de omliggende plaatsen (waaronder Lichtenvoorde en Eibergen) gestuurd om deze te bezetten. Op die manier werd voorkomen dat de Spanjaarden een van deze dorpen als uitvalsbasis voor een ontzet zouden kunnen gebruiken.

Grolla

Overzicht van de belegering van Grolle op een kaart uit Blaue’s Stedenatlas.

Het Staatse leger werd in drie delen gesplitst en ondergebracht in het Kwartier van prins Frederik Hendrik in het zuiden (op de Lievelder Es), het Kwartier van Ernst Casimir van Nassau in het oosten (bij het buurtschap Zwolle) en het Kwartier van Willem van Nassau in het noordwesten (bij het buurtschap Avest).
De legerplaatsen werden meteen van een omwalling voorzien. De dag na de aankomst van het leger is men begonnen met het ‘beschansen’: om de stad werd een insluitingslinie (ook wel circumvalatielinie genoemd) aangelegd die de drie belangrijkste legerplaatsen met elkaar verbond. Men hield bij de aanleg hiervan een afstand van ongeveer twee kilometer vanaf Grolle aan, omdat dit de maximale reikwijdte van de kanonnen was die opgesteld stonden binnen de vesting. Zodoende hoefde men in de schansen en kwartieren niet beducht te zijn voor vijandelijk vuur.

Ook werd meteen begonnen met de aanleg van schansen die strategische plaatsen moesten bewaken. Zo sloot de Franse Schans de weg naar Bredevoort af terwijl de Friese Schans de weg naar het Duitse Vreden bewaakte. De Hollandse Schans deed hetzelfde op de weg naar Borculo en Zutphen.
Al snel werd duidelijk dat graaf Hendrik van den Berg (een volle neef van Frederik Hendrik!) met een groot Spaans leger op weg was om Grolle te ontzetten. Dag en nacht werd daarom door 8.000 schansgravers en soldaten koortsachtig aan de insluitingslinie van het Staatse leger gewerkt. Op de eerste dag (21 juli 1627) kon al gemeld worden dat het werk zover gevorderd was dat de linie verdedigbaar was. Na een week(!) was de hele insluitingslinie voltooid. Dat de tijd drong blijkt wel uit het feit dat zelfs de officieren de armen uit de mouwen staken: er werd gegraven “sonder dat sigh selfs of Ooversten of Kolonellen ’t werken ontsaegen”.

De aldus ontstane ring was verdedigbaar tegen aanvallen van buitenaf en sloot daarnaast ook de stad van de buitenwereld af, zodat er niemand meer in of uit kon. Met recht kan gesproken worden van een vesting om een vesting. Hugo de Groot meldt over de gerealiseerde werken “dat noyt eenighe volmaekter is geweest, selfs niet onder Maurits, die alles wat ergens geleesen of gesien was in gebruyk gebraght had”. Men was met recht trots: voor het eerst in de Tachtigjarige Oorlog was een stad bij een belegering volledig ingesloten. De belegering van Grolle mag in dat opzicht gezien worden als generale repetitie voor de meest glorierijke overwinning uit de loopbaan van Frederik Hendrik als veldheer: het beleg van ‘s-Hertogenbosch, twee jaar later in 1629.

Vanuit de kwartieren begonnen de Staatse soldaten met het graven van loopgraven (‘approches’) naar de stad. Zo was er onder andere een Engelse en een Franse approche. In tegenstelling tot het graven van insluitingswerken werd aan deze belegeringswerken wél fanatiek gewerkt door de huurlingen. Voor dit zware en gevaarlijke werk werd namelijk wel een extra premie betaald. Soldaten werkten aan de aanvalswerken in de uren waarin ze geen wacht hadden. Ook het inleveren van een gevonden kanonskogel betekende extra inkomsten.

Er werd een wedstrijd van gemaakt welke loopgraaf het eerst bij de stadsgracht zou zijn. Was dit doel bereikt, dan begon men met het bouwen van galerijen over de gracht. Een galerij is een overdekte gang, in dit geval over de gedeeltelijk drooggevallen gracht gelegd, die er voor zorgde dat de aanvallers redelijk beschut de voet van de stadswal konden benaderen. Frederik Hendrik loofde een beloning van “drihondert guldens” uit voor de bemanning van de galerij die het eerst de overkant van de gracht zou bereiken. Een logisch gevolg van deze onderlinge competitie en het vooruitzicht op extra inkomsten was dat hierdoor ook het werktempo hoog lag. En dat had weer een positieve invloed op de snelle afwikkeling van het beleg. Uit een van de brieven door gecommitteerde ter Staten-Generaal H. van Essen naar Zutphen gestuurd, blijkt hoe gevaarlijk het leven in de loopgraven eind juli 1627 was:

“…zijn eenighe van den vijandt uyt die stadt gevallen, hebben twee werckluiden gedoot en eenen sargiant gevanghen […] Ghisterennacht sijn sij weederom op de approches van sijne Genade G. Ernst van Nassau uytgevallen en vijf ofte ses van die onse gedoot ofte gequetst. Den sergiant-major Dromont van ’t regiment van Brock is in den uytval met een musqettade dootlick gequetst.”
aanval
Aanval van het Spaanse ontzettingsleger op het hoornwerk bij het
Kwartier van graaf Ernst Casimir van Nassau in de nacht van 15 op 16 augustus 1627.

Na de eerste gevechten werd al snel duidelijk dat voor de belegerden hulp van buitenaf een bittere noodzaak was. En inmiddels was daartoe een groot Spaans ontzettingsleger voor Grolle gekomen. Graaf Hendrik van den Berg richtte zijn legerkamp in bij het buurtschap Zwillbrock, net over de Duitse grens.
Voor Frederik Hendrik was duidelijk dat het gevaar dus uit het oosten dreigde. Hij liet de insluitingslinie aan die zijde dan ook versterken en legde een tweede wal met gracht aan. Ook werden op zwakke plekken hoornwerken angelegd.
Hendrik van den Berg plaatste zijn aanval op een hoornwerk bij het Kwartier van Ernst Casimir in de nacht van 15 op 16 augustus. Na een felle strijd werd deze ontzettingspoging afgeslagen. Hoop op hulp van buitenaf was er na deze mislukte aanval niet meer en het zag het er voor de Grollenaren niet bepaald rooskleurig uit. Nadat de Staatsen een mijn tot ontploffing hadden gebracht braken felle gevechten op de stadswal uit. De Spanjaarden wisten de aanvallers tot drie keer toe terug te slaan, maar toen duidelijk werd dat Frederik Hendrik op het punt stond drie mijnen op verschillende plaatsen gelijktijdig te laten ontploffen, gaf de stadscommandant, Matthys Dulken, de strijd op. Op 19 augustus 1627 werd het capitulatieverdrag getekend. Grolle was Staats en bleef dat de rest van de Tachtigjarige Oorlog.

De overwinning in het oosten werd in de Staatse Nederlanden groots gevierd. Het was de eerste klinkende zege op de Spanjaarden sinds jaren. Beroemdheden, bekend uit de vaderlandse geschiedenis, schonken nadrukkelijk aandacht aan dit wapenfeit. Zo schreef Hugo de Groot zijn Beleegering der stadt Grol en dichtte Joost van den Vondel naar aanleiding van de zege zijn ‘Verovering van Grol door Frederick Henrick, Prince van Oranje’, een 782 verzen lang lofdicht. Er was niemand meer die aan de capaciteiten van Frederik Hendrik twijfelde. De eerste stap, die hem uiteindelijk de bijnaam ‘de Stedendwinger’ zou brengen, was gezet.

De prins bleef nog dertig dagen in Groenlo. Alle gevaar was namelijk nog niet geweken. De mogelijkheid bestond dat de Spanjaarden bezit zouden nemen van de insluitingslinie, schansen en loopgraven en de rollen ineens omgedraaid zouden zijn! De gehavende stad werd zo snel mogelijk weer in weerbare staat gebracht. De kanonnen werden binnen Groenlo gebracht en de bezetting werd versterkt met vier vendelen (circa 360 soldaten) en twee vanen ruiterij (120 ruiters). Ten slotte werden de loopgraven richting de stad gevuld en “de schanssen, en verder alle andere werken gesleght”.

Literatuur:
Nijs, G. en Pluijm, van der, J.E., Kijk op de linie, op zoek naar de circumvallatielinie uit 1627 rondom Groenlo, Groenlo 2008.
Nijs, G, De reconstructie van de Engelse Schans, een veldschans in ere hersteld, Lichtenvoorde, 2002.
Pluijm, van der, J.E., De vestingstad Grol, Geschiedenis van de vestingwerken van Groenlo, Groenlo, 1999.